Magazine

Jan Hoogstad (Rotterdam, 1930 – 2018)

In zijn woonplaats Rotterdam is op 88-jarige leeftijd Jan Hoogstad overleden.

Jan was de grondlegger van ons bureau, waaraan hij tot op hoge leeftijd verbonden was. Hij was een groot architect. Voor Jan was architectuur meer dan een beroep. Het was zijn manier van denken en leven. Zijn vakmanschap en inzicht zijn voor ons een blijvende bron van inspiratie.

Jan Hoogstad werd op 29 juni 1930 geboren in Rotterdam Zuid. Hij groeide op tussen paarden en zandtrechters. Het waterbouwbedrijf van zijn ene grootvader was betrokken bij het uitgraven van de Waalhaven. Zijn andere grootvader had een handel in zand en grind.

Toen in mei 1940 de Duitsers de haven van Rotterdam bombardeerden keek hij vanaf het dak van zijn ouderlijk huis toe waar de bommen vielen en hoe de binnenstad in vlammen opging. In zijn eigen werkplaats, achter in de tuin, maakte hij modellen van oorlogsschepen en jachtvliegtuigen waarbij grammofoonnaalden als geschuttorens dienden. Dat was zijn manier om de oorlog te verwerken.

Jan was voorbestemd om in het familiebedrijf te komen werken, een bedrijf dat als een van de eerste transportbeton in productie had genomen. Maar hij wilde liever jachtenbouwer worden. Zijn ouders gaven hem die ruimte en lieten hem eerst naar de Ambachtsschool en vervolgens naar de HTS gaan. Op de HTS kreeg Jan het advies om de opleiding tot architect aan de Academie voor Bouwkunst te volgen, net als nu toen ook al een duaal traject: In zijn familie waren tot dan toe geen architecten, ‘dat kwam op Zuid niet voor’. ’s Avonds kreeg hij les van de architecten waar hij overdag voor werkte zoals J.H. van den Broek, H.A. Maaskant, W. van Tijen en G.Th. Rietveld. Als jongetje van negen jaar had hij gezien hoe Rotterdam aan puin werd geschoten, als architect in opleiding leverde hij een belangrijke en omvangrijke bijdrage aan de wederopbouw van zijn stad.

In de jaren vijftig werkte hij voor Herman Bakker. Een architect die een duidelijk stempel op de wederopbouw van Rotterdam heeft gedrukt. Op het bureau van Bakker tekende Jan onder meer de Maastorenflat en de Leuvenflat uit.

In 1959 richtte Jan zijn eigen architectenbureau op. Zijn eerste opdracht was een kantoor voor zijn vaders bedrijf aan de Brielselaan. In zijn vroege werken is de belangstelling voor de ruimtelijke werking en het gevoel voor sferen al evident, zoals zichtbaar in de villa voor dokter Teng in Lombardijen (1965) met zijn contrastrijke gevels en de wisselwerking tussen de verschillende ruimtes.

In de jaren zestig en zeventig nam hij regelmatig deel aan prijsvragen. Voor het stadhuis in Amsterdam (1967) kreeg hij de vijfde prijs en voor het Centre Pompidou in Parijs (1971) een eervolle vermelding. In 1973 won hij de besloten prijsvraag voor het Wereldhandelscentrum in Rotterdam. Jan beschouwde dat ontwerp als het beste dat hij ooit maakte, het werd echter niet uitgevoerd. De eerste grote prestigieuze opdracht die hij kreeg - een winnend prijsvraagontwerp dat wel werd uitgevoerd - was het stadhuis in Lelystad (1976-1984). In dit markante gebouw besteedde hij nadrukkelijke aandacht aan klimaatbeheersing, een thema dat in de architectuur steeds belangrijker zou gaan worden.

Naast architectuur hield Jan zich ook bezig met stedenbouw. In de loop van de jaren zeventig constateerde hij dat het wederopgebouwde Rotterdam veel te wijds van opzet was; de binnenstad zwom als het ware in de ongevormde ruimte. De Studie Waterverband (1973-1979) was een plan voor de verdichting van de binnenstad waarbij hij de beleving van de voetganger als uitgangspunt nam. Het plan behelsde een wandelroute met woningbouw langs het water tussen de Rotte en de Maas. Een deel van plan is uiteindelijk uitgevoerd.

In de jaren zeventig en tachtig vormde Jan met Carel Weeber, Wim Schulze en Aat van Tilburg Architectenbureau HWST. Nadat Weeber in 1987 vertrok, begon het bureau uiteen te vallen. In 1991 richtte Jan een nieuw bureau op dat vanaf 1991 onder de naam Hoogstad Architecten opereerde. In 2002 droeg hij het bureau over aan Joost Ector en Max Pape, waarna hij zich geleidelijk uit het bedrijf terugtrok.

Zijn bureaus hebben vrij veel succes gehad, wat volgens Jan te danken was aan de synthese van een filosofische en een praktische instelling. De belangstelling voor filosofie had hij van huis uit meegekregen. Bij zijn ouders stonden Jacob van Lennep en de Confessiones van Augustinus in de boekenkast. Deze belangstelling heeft hij altijd gehouden, maar nooit hield hij een ‘zweverig architectenverhaal’, want daar had hij ‘vreselijk de pest aan’. Hij vond dat een architect moet zorgen dat hij binnen de financiële grenzen en binnen de gestelde tijd blijft.

Door zijn streven naar een rationele onderbouwing van zijn ontwerpen werd Jan tot de rationalisten gerekend. Iets waarmee hij het nooit helemaal eens kon zijn. Hij zocht naar de wisselwerking tussen praktische instelling en een filosofisch verhaal. “Ik heb de rationele opgave altijd gevoelswaarde toegedicht. Dus als ze me voor een rationalist houden, dan is dat voor de helft waar.”

In 1988 kreeg hij de opdracht voor het voormalige Ministerie van Volkshuisvesting, Ruimtelijke Ordening en Milieubeheer (VROM) in Den Haag. Tot dan toe het grootste gebouw in Nederland bestaande uit vijf kantoorschijven met daartussen grote glazen serres waar 3000 ambtenaren werkten. In dit gebouw paste Jan voor het eerst zijn serreconcept toe. Een concept dat nog vaak in zijn werk zou terugkeren. Het was een on-Nederlands gebouw dat liet zien dat hij over allerlei zaken groots en structureel nadacht. Het ministeriegebouw werd zijn magnum opus; hij verwierf er internationale bekendheid mee. De opdracht voor recente transformatie tot Rijkskantoor ging aan hem voorbij, wat hij zeer betreurde. Door OMA, als architect voor de transformatie geselecteerd, werd hij zijdelings betrokken bij de planvorming. Het uiteindelijke resultaat stelde hem desalniettemin teleur.

Na het gebouw voor VROM volgden onder meer het hoofdkantoor van Unilever aan het Weena in Rotterdam (1992); de schouwburg in Hengelo (1993-2001); zijn eigen penthouse aan de Westerkade in Rotterdam (1995); het AKN-gebouw in Hilversum (1995-2000); de Hogeschool voor Muziek en Dans in combinatie met de uitbreiding van De Doelen in Rotterdam (2000); het Wilminktheater en de bètafaculteit op de Universiteit Twente, beide in Enschede (2003-2008) en de Westerlaantoren in Rotterdam (2012). De meeste ontwerpen kenmerken zich door een grote schaal en op geometrische schema’s gebaseerde plattegronden, gevels en volumes. Toch dacht Jan bij het ontwerpen in eerste instantie in sferen, omdat hij geloofde dat de behoefte aan geborgenheid de basis van alle architectuur is. De mate van geborgenheid bepaalde de ene keer dat hij een expressief gebouw en de andere keer een introvert gebouw ontwierp. Dat was een bewuste keuze waar hij met zijn opdrachtgevers over sprak. Met lezingen over architectuur en emotie reisde hij als lid van de International Academy de hele wereld over.

In 1990 publiceerde hij zijn ideeën daarover in Ruimtetijdbeweging. Prolegomena voor de architectuur. Jan beschouwde ruimte, tijd en beweging als onlosmakelijk, als ‘ruimtetijdbeweging’. Ruimtelijke werking is sterk met emotie verbonden. Dat bleek wel toen hij vertelde hoe hij ooit de Notre-Dame in Parijs - door een vrij lage doorgang - betrad en het koor hoorde zingen. Hij hield er geen droge ogen bij. Dát was voor hem de kracht van ruimtelijke werking. Gedurende zijn lange en indrukwekkende carrière heeft Jan er altijd naar gestreefd om de ruimte in dienst van de mensen zijn werk te laten doen.

U bent hier

Rotterdam

Contact

Ector Hoogstad Architecten

Hofplein 20, 24e verdieping
3032 AC Rotterdam
Postbus 818
3000 AV Rotterdam

T 010 440 21 21
E info@ectorhoogstad.com »